zaaibed

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zaai·bed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zaaibed zaaibedden
verkleinwoord zaaibedje zaaibedjes

Zelfstandig naamwoord

zaaibed o

  1. een afgeperkt deel van een tuin waarop gezaaid wordt
    • Het zaaibed was ingezaaid door de tuinman. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be