bloemperk

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bloem·perk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bloemperk bloemperken
verkleinwoord bloemperkje bloemperkjes

Zelfstandig naamwoord

bloemperk o

  1. Bloembed. Een begrensd stukje grond dat men bloemen beplant is.
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be