kerk

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kerk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kerk kerken
verkleinwoord kerkje kerkjes

Zelfstandig naamwoord

kerk v, m

  1. (religie) (bouwkunde) openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
     En over zijn graf werd een prachtige kerk gebouwd, die het middelpunt werd van de Nicolaasverering.[4]
     Als ik vroeger naar een nieuwe plaats verhuisde, bezocht ik steevast alle kerken van de stad.[5]
  2. (religie) religieuze stroming
  3. (religie) georganiseerde groep die bepaalde religieuze, m.n. christelijke, standpunten aanhangt (bijv. Katholieke Kerk, Gereformeerde Kerk etc.)
  4. (religie) (in engere zin) gemeenschap van alle christenen
  5. groep gelovigen
     Het was een bewustwordings-survival-oefening van de kerk van zijn ouders.[5]
Synoniemen
Opmerkingen
  • In bet. 3 en 4 kan kerk volgens de spellingregels met een hoofdletter worden geschreven, wanneer het als (deel van) een naam wordt gebruikt; in bet, 2 niet omdat het dan de aanduiding voor een stroming betreft
  • In bet. 2, 3 en 4 wordt het woord meestal vrouwelijk gebruikt, zeker in de schrijftaal. In bet. 1 zijn zowel mannelijke als vrouwelijke verwijswoorden mogelijk, waarbij de mannelijke verwijzing vooral voorkomt in het noordelijk deel van het Nederlandse taalgebied.
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1] in de kerk geboren zijn
    de deur open laat staan
  • [1] vloeken in de kerk
    iets doen dat ondenkbaar of taboe is
  • [1] voor het zingen de kerk uitgaan
    (seksualiteit) zorgen dat de zaaduitstorting niet in de vagina terechtkomt
Spreekwoorden
  • [1] de kogel is door de kerk
    de lastige beslissing is genomen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

kerk

  1. (religie) kerk