1. Een christen die voor de maaltijd bidt.
  • chris·ten
enkelvoud meervoud
naamwoord christen christenen
verkleinwoord christentje christentjes

de christenm

  1. (religie) belijder van de christelijke godsdienst
    • De naam christen was oorspronkelijk een spotnaam.  [4]
    • Paus Franciscus heeft zich in de Amerikaanse verkiezingsstrijd gemengd. De paus suggereerde na een bezoek aan Mexico dat de Republikein Donald Trump geen christen is. “Iemand die alleen aan muren bouwen denkt, waar dan ook, en niet aan het bouwen van bruggen, is geen christen”, zei de paus.[5] 
    • Volgens de Twentse pastoor onderscheidt de christelijke gemeenschap op Sri Lanka zich door hun sterk verzoenende houding jegens andere religies. „Ze vormen slechts een kleine minderheid, - zo’n zeven procent van de bevolking- maar zijn zeer verdraagzaam. Zo heb ik het meegemaakt dat tijdens een misviering de buren van het boeddhistische gebedshuis opzettelijk lawaai begonnen te maken om het geluid van biddende christenen te overstemmen. Ik heb bewondering voor hun lankmoedigheid.” [6] 
  • kristen (van 1955 tot 1996 toegelaten variant in de officiële spelling)
  • Hoe dichter bij de Paus ( of bij Rome), hoe slechter christen
Stoett-1787 [7]
98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[8]


vervoeging
onbepaalde wijs to  christen 
he/she/it  christens 
verleden tijd  christened 
voltooid
deelwoord
 christened 
onvoltooid
deelwoord
 christening 
gebiedende wijs  christen 

christen

  1. overgankelijk, (religie) dopen