Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrouw
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘mens van vrouwelijk geslacht’ voor het eerst aangetroffen in 1240. [1]
Middelnederlands: vrouwe, vrowe, ver
Oudnederlands: frouwa
Germaans: *frawjōn
Indo-Europees: *prōw-
  • Verwant in Germaans:
Angelsaksisch: frēa, frēo, Duits: Frau, (Oudhoogduits: frouwa), Fries: frou (Oudfries: frouwe, frowe)
enkelvoud meervoud
naamwoord vrouw vrouwen
verkleinwoord vrouwtje vrouwtjes

Zelfstandig naamwoord

vrouw v

  1. (biologie) een volwassen vrouwelijke mens
     De vrouw schrok. 'Wat doèn jullie hier?'[3]
     Hier was het nog lastiger omdat er twee mensen naast mij lagen, waarvan één tot overmaat van ramp de enige aanwezige vrouw was.[4]
  2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
    • Op het feest werd ik aan zijn vrouw voorgesteld. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "vrouw" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. vrouw op website: Etymologiebank.nl
  3. Marijke van Raephorst   “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat  , p. 13
  4. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  5.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Nedersaksisch

enkelvoud meervoud
naamwoord vrouw vrouwen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vrouw

  1. (biologie) vrouw; een volwassen vrouwelijke mens
  2. vrouw; de vrouwelijke partner in een huwelijk


Veluws

enkelvoud meervoud
naamwoord vrouw vrouwen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vrouw

  1. (biologie) vrouw; een volwassen vrouwelijke mens
  2. vrouw; de vrouwelijke partner in een huwelijk