echtgenote

Nederlands

 
Simon Carmiggelt en zijn echtgenote
Uitspraak
Woordafbreking
  • echt·ge·no·te
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van echtgenoot met het achtervoegsel -e, in de betekenis van ‘vrouw met wie iemand getrouwd is’ voor het eerst aangetroffen in 1631 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord echtgenote echtgenotes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

echtgenote v

  1. (familie) vrouw waarmee je getrouwd bent
    • Maxima is de echtgenote van Willem-Alexander. 
Schrijfwijzen
  • echtgenoote (officiële spelling tot 1935 in Nederland en 1946 in België)
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen