echtgenoot

Nederlands

 
Miep Gies met haar echtgenoot
Uitspraak
Woordafbreking
  • echt·ge·noot
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘man met wie iemand getrouwd is’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1631 [1]
  • samenstelling van  echt  en  genoot  [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord echtgenoot echtgenoten
verkleinwoord echtgenootje echtgenootjes

Zelfstandig naamwoord

echtgenoot m

  1. (familie) een mannelijke huwelijkspartner
    • De vrouw en haar echtgenoot beleefden een romantische huwelijksreis. 
  2. (familie) een huwelijkspartner
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen