vuur
  • vuur
  • In de betekenis van ‘lichtverschijnsel bij brand’ voor het eerst aangetroffen in 901.[1]
  • erfwoord: Middelnederlands vuur, vier, uit Oudnederlands fūir, ontwikkeld uit Oergermaans *fōr (genitief *funiz), bij Indo-Europees *péh₂ur̥ (gen. ph₂un-ós), een r/n-stam waartoe ook Tochaars A por̄, B pūwar, Umbrisch pir, Oudgrieks pûr (πῦρ), Armeens hur ‘fakkel’, Tsjechisch vero. pýř ‘gloeiende as’ en Hittitisch paḫḫur (gen. paḫḫuenaš) behoren.[2] Evenals Nederduits Füür, Duits Feuer en Fries fjoer.
enkelvoud meervoud
naamwoord vuur vuren
verkleinwoord vuurtje vuurtjes

het vuuro

  1. (scheikunde) het geheel van de licht- en warmteverschijnselen die zich voordoen wanneer iets verbrandt, d.w.z. een oxidatiereactie ondergaat
    • De brandweer doofde het vuur met water en andere blusmiddelen. 
     En ineens stonden ze voor een hol en zagen achterin de gloed van een vuur. Er was een lelijk oud wijf dat, zachtjes mompelend, in een pot boven het vuur stond te roeren.[3]
     Er cirkelden een heleboel vliegen om de paarden heen dus ik zette mijn tent vijftig meter van het vuur op.[4]
  2. (figuurlijk), (militair) beschieting met vuurwapens
    • Halverwege de oorlog deserteerden er iedere maand meer dan vijfduizend soldaten; sommige bleven gewoon ergens hangen tijdens de oneindig lange marsroutes, andere vluchtten zodra het vuur werd geopend. In mei 1864 — de maand waarin generaal Grant zijn opmars naar het zuiden begon en de maand van de Wildernis — waren er niet minder dan 5371 federale soldaten die het hazenpad kozen. Meer dan 170 verlieten iedere dag het strijdtoneel — zowel dienstplichtigen als vrijwilligers, ontmoedigd of vol heimwee, gedeprimeerd, verveeld, gedesillusioneerd, onbetaald of gewoonweg bang.[5] 
    • Zo kwam de stad onder vuur te liggen. 
  3. (figuurlijk) enthousiasme, bezieldheid, hartstocht, passie
    • Hij verdedigde zijn ideeën vol vuur. 
 aapnootMiesWimzusJetTeunvuurGijslamkeesbokweidedoeshokduifschapen
grote leesplank, met klikbare woorden
vervoeging van
vuren

vuur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vuren
    • Ik vuur. 
  2. gebiedende wijs van vuren
    • Vuur! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vuren
    • Vuur je? 
100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[7]
  1. "vuur" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. vuur op website: Etymologiebank.nl
  3. “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat  , p. 12
  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  5. Winchester, Simon
    De gekwelde woordenaar vertaald door Peter Out 1998 ISBN 90-254-2146-6 pagina 69
  6.   Weblink bron “Britse premier Johnson stapt op, maar blijft zitten tot opvolger bekend is” (onderdag 07 juli 2022), NU.nl
  7.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


  • IPA: /ˈvyːr/ (Etsbergs)

vuur o

  1. vuur
    «'d Vuur versprij zich zoefrasj dórche bósj.»
    Het vuur verspreidde zich razendsnel door het bos.