scheikunde

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schei·kun·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord scheikunde -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

scheikunde v

  1. (wetenschap) wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen, de chemische veranderingen die plaats vinden onder bepaalde omstandigheden en de wetmatigheden die daaruit voort vloeien
     Jarno studeerde scheikunde en is docent natuurkunde op een middelbare school in Capelle aan den IJssel.[4]
  2. (onderwijs) schoolvak waarin de samenstelling en de bouw van de stoffen, de chemische veranderingen die plaats vinden onder bepaalde omstandigheden en de wetmatigheden die daaruit voort vloeien worden behandeld
     Van alle havo-leerlingen doet ongeveer 65 procent eindexamen in het vak geschiedenis. Bij het vwo is dit 50 procent. Geschiedenis is bij deze schoolniveaus bij twee van de vier bovenbouwprofielen een verplicht vak. Als we de kernvakken (Engels, Nederlands en wiskunde) buiten beschouwing laten is geschiedenis daarmee, samen met scheikunde, het vak dat het stevigst in deze profielen verankerd is.[5]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. scheikunde op website: Etymologiebank.nl
  3. "scheikunde" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4.   Weblink bron Marit Willemsen “‘Het avondeten is hét moment bij ons thuis’” (23 december 2021) op nrc.nl
  5.   Weblink bron Stefan Glasbergen “Geschiedenis : Vooral afwezig in vmbo” (16 februari 2022) op nrc.nl
  6.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

scheikunde

  1. (wetenschap) scheikunde