onderwijs

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • on·der·wijs
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord onderwijs -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ónderwijs o

  1. (onderwijs) het overbrengen van kennis en vaardigheden (door leraren)
     Ondanks dat er honderd redenen zijn waarom iets niet kan of onhandig is, liet deze doodgewone familie uit Yorkshire zien dat het wel gewoon kan. Beter onderwijs voor je kinderen kan ik me nauwelijks voorstellen.[1]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
onderwijzen

onderwíjs

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van onderwijzen
    • Ik onderwijs. 
  2. gebiedende wijs van onderwijzen
    • Onderwijs! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van onderwijzen
    • Onderwijs je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be