Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: ESEs
 
1. Een es, Fraxinus excelsior
  • es
enkelvoud meervoud
naamwoord es essen
verkleinwoord esje esjes

[A] es m

  1. (bloemplanten) bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior  , die inheems is in de Benelux en tot 40 meter hoog kan worden
     De meest markante boom in Noordwest Overijssel is een es, die te vinden is in Dwarsgracht.[2]
  2. benaming voor bomen uit het geslacht Fraxinus  
    • Het hout van een es is taai en stevig, maar niet erg geschikt voor de open lucht. 
     Van die variëteiten biedt Goudzwaard een overzicht dat Wikipedia of het assortiment van kwekers ver te boven gaat. Drie typen Amerikaanse es. Twee typen smalbladige es. Tien typen gewone es, van de ‘Allgold’ tot de ‘Westhof’s Glorie’. En dan nog de manna-es, de zachte es en de fluweel-es.[3]
namen van loofbomen in de Benelux:

[B] es o

  1. (muziekinstrument) metalen buisje van de fagot waarop het dubbelriet geplaatst wordt.

[C] de esv / m

  1. (muziek) met een halve toon verlaagde toon "e"
    • De toon “es” klinkt in de getempereerde stemming gelijk aan de tonen “dis” en “fes”. 
  2. (muziek) de grondtoon (tonica) van de “es-mineurtoonladder”, tevens een korte aanduiding van die toonladder
    • Op de notenbalk van een etude in es, staan zes mollen als voortekens. 
  3. (muziek) de grondtoon van het “es-mineurakkoord”, de kleine drieklank op de eerste trap (tonica-akkoord) van de kleinetertstoonladder op die toon
    • De drie tonen van het es-mineurakkoord (symbool: E♭m) in grondligging, zijn: es - ges - bes. 
  4. (landbouw) verhoogde akker (eng, enk).
88 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[4]
  • [1] es in het Nederlands Soortenregister N
  • [1] es op Wikidata  
  • [1] es op "Wilde planten in Nederland en België"
  • [2] es in het Nederlands Soortenregister N
  • [2] es op Wikidata  
  1. "es" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2.   Weblink bron “Es in Dwarsgracht staat op drie in 'bomen top 10 Overijssel'” (2 oktober 2017) op meppelercourant.nl
  3.   Weblink bron
    Hester van Santen
    “Loflied op loofbomen is het ideale bladerboek” (29 juni 2013) op nrc.nl  
  4.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


es m en v, enk en mv

  1. zich, zichzelf (lijdend en meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)


enkelvoud meervoud
mannelijk vrouwelijk onzijdig
nominatief er sie es sie
genitief seiner ihrer seiner ihrer
datief ihm ihr ihm ihnen
accusatief ihn sie es sie


  • es

es

  1. het (nominatief onzijdig enkelvoud van de derde persoon)
  2. het (accusatief onzijdig enkelvoud van de derde persoon)
  3. er
    «Gibt es noch etwas zu tun?»
    Is er nog iets te doen?

es o

  1. (muziek) de toon ”es”
  2. (muziek) es: korte aanduiding van de toonaard “es-mineur
    «Eine Sonate in es
    Een sonate in es kleine terts.


es

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van être


es

  1. ijs


es

  1. afkorting van esempio


vervoeging van
ĕsse

ĕs

  1. actief indicatief praesens, tweede persoon enkelvoud van ĕsse
    «Homōne malus es
    Ben jij een slecht mens?
  1. actief imperatief praesens, tweede persoon enkelvoud van ĕsse
    «Es patiēns!»
    Wees geduldig!
vervoeging van
ēsse

ēs

  1. actief indicatief praesens, tweede persoon enkelvoud van ēsse


1e persoon
naamval

enkelvoud

meervoud
nominatief es mēs
genitief manis mūsu
datief man mums
accusatief mani mūs
instrumentalis mani mums
locatief manī mūsos

es

  1. nominatief ik



  • IPA: /æs/ (Etsbergs)

es

  1. als, wanneer
  2. gebruikt in vergelijkingen om verschil in egaliteit te weergeven
    «Det book is baeter es det drejbeildj d'r-z ven.»
    Het boek is beter dan de film ervan.
  3. gebruikt in vergelijkingen om egaliteit weergeven
    «Dae sjriever is es good es dae-n angere.»
    Die schrijver is zo goed als die andere.
enkelvoud meervoud
bepaald geheel es(se) es(ser)
gemut. - -
onbepaald geheel es es
gemut. - -

es

  1. als (in de hoedanigheid van)
    «Ich raoj öch dit aan es vröndj.»
    Ik raad u dit aan als vriend.
    «Weer koze dem aan es zètsmaeker.»
    Men koos hem als voorzitter.
  • Na het voorzetsel es kan nooit een onbepaald lidwoord ('n, 'ne, e, etc) volgen. Het is echter wel mogelijk dat er een bepaald lidwoord (g-, etc) kan volgen.


  • es

[A]: es

  1. tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van ase



  • es

es, o

  1. het
    «Es Wedder wechselt oft un geschwindt.»
    Het weer verandert vaak en snel.

es, o

  1. het (nominatief onzijdig enkelvoud van de derde persoon)


vervoeging van
ser

es

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van ser


  • es

es

  1. genitief meervoud van eso