enkelvoud meervoud
mannelijk vrouwelijk onzijdig
nominatief er sie es sie
genitief seiner ihrer seiner ihrer
datief ihm ihr ihm ihnen
accusatief ihn sie es sie


  • ih·nen

ihnen

  1. (aan/voor) hen, hun (datief mannelijk of vrouwelijk meervoud van de derde persoon)
    «Es gefiel ihnen, im Garten zu spielen.»
    Het beviel hun in de tuin te spelen.
  2. eraan/ervoor (datief onzijdig meervoud van de derde persoon)