Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • win·kel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord winkel winkels
verkleinwoord winkeltje winkeltjes

Zelfstandig naamwoord

winkel m

  1. (handel) een plaats waar koopwaar wordt verkocht
Gelijkklinkende woorden
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
winkelen

winkel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van winkelen
    Ik winkel.
  2. gebiedende wijs van winkelen
    Winkel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van winkelen
    Winkel je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Meer informatie


Afrikaans

Middelnederlands

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

winkel m

  1. hoek
Overerving en ontlening
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
In een andere taal lezen