Nederlands

Huidig
bestand
109
Uitspraak
Woordafbreking
  • -el
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] naamwoordelijk achtervoegsel: van het Germaanse achtervoegsel *-il-; van het Protogermaanse achtervoegsel *-ila, verwant aan het Beierse -(e)l, het Alemannische -li en het Zuidopperfrankische -lein [1] [2] [3] [4]
  • [2] werkwoordelijk achtervoegsel: van het Protogermaanse achtervoegsel *-lō- (met de uitgang van de infinitief *-ną) verwant aan Engels -le, Duits -(e)l, Deens -le, Zweeds -la [5] [6]

Achtervoegsel

-el

  1. (verouderd) een uitgang die oorspronkelijk afstamming aangaf en daarmee ook verkleining;
    • Er zou kans zijn op ijzel. 
    • Onder de eik lagen veel eikels. 
    • Vader sloeg op de grote trom en zijn drie zoons elk hun eigen trommel. 
    • Zo'n lange slungel kan toch nooit een goede kompel zijn. 
  2. (verouderd) een uitgang die een werktuiglijke of instrumentele term van een werkwoord afleidt
    • Hij maakte de sleutel vast aan zijn gordel. 
  3. (verouderd) een achtervoegsel dat direct na de stam en voor een eventuele uitgang wordt geplaatst om een frequentatief te vormen, dat herhaling en intensiteit uitdrukt
    • Hij hinkelde niet zo graag, maar deed toch maar mee. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen

Verwijzingen

Duits

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] naamwoordelijk achtervoegsel: van het Germaanse achtervoegsel *-il-; van het Protogermaanse achtervoegsel *-ila, verwant aan het Beierse -(e)l, het Alemannische -li en het Zuidopperfrankische -lein
  • [2] werkwoordelijk achtervoegsel: van het Protogermaanse achtervoegsel *-lō- (met de uitgang van de infinitief *-ną) verwant aan Engels -le, Nederlands -el, Deens -le, Zweeds -la

Achtervoegsel

-el

  1. een uitgang die oorspronkelijk afstamming aangaf en daarmee ook verkleining; de uitgang komt ook voor om degene die iets uitvoert of het middel waarmee dat gebeurt af te leiden.
  2. een achtervoegsel dat direct na de stam en voor een eventuele uitgang wordt geplaatst om een frequentatief te vormen, dat herhaling en intensiteit uitdrukt.
Afgeleide begrippen

Frans

Uitspraak
Woordafbreking
  • -el
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] uit het Latijn -ālis.
  • [2] uit het Latijnse achtervoegsel -ellus.

Achtervoegsel

-el

  1. vormt bijvoeglijke naamwoorden uit zelfstandige naamwoorden
  2. als verkleinsuffix of suffix van relatie, vormt -el mannelijke zelfstandige naamwoorden
    «un hommelet [van homme 'man, mens']»
    een onbeduidend mannetje