winkeldiefstal

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • win·kel·dief·stal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord winkeldiefstal winkeldiefstallen
verkleinwoord winkeldiefstalletje winkeldiefstalletjes

Zelfstandig naamwoord

winkeldiefstal m

  1. de daad van het stelen van goederen uit een winkel
    • Veel winkeldiefstallen worden gepleegd door het winkelpersoneel. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be