ijswinkel

Nederlands

 
ijswinkel
Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·win·kel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijswinkel ijswinkels
verkleinwoord ijswinkeltje ijswinkeltjes

Zelfstandig naamwoord

ijswinkel m

  1. een winkel waar men consumptie ijs verkoopt
    • Toch betwijfelt hij of dit de goede aanpak is. „Ik snap dat de gemeente een pas op de plaats wil houden, maar het aantal vrijgezellenfeestjes zal niet afnemen omdat er minder ijswinkels zijn. Deze maatregel pakt de overlast niet aan, maar slechts de diversiteit van winkels.”[1] 
    • Mr & Mrs Frosty, zoals de bij buurtgenoten populaire ijswinkel heet, is het tweede filiaal waar het stel zeven dagen per week de handen uit de mouwen steekt.[2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. de Telegraaf RICHARD VAN DE CROMMERT 05 okt. 2017
  2. de Telegraaf SOPHIE ZIMMERMAN 19 jul. 2017
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be