• grens
  • Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘scheidingslijn’ voor het eerst aangetroffen in 1573 [1]
  • Via het Duitse Grenze van het Poolse granica.
enkelvoud meervoud
naamwoord grens grenzen
verkleinwoord grensje grensjes

de grensv / m

  1. een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
    • . De grens tussen twee stroomgebieden. 
  2. (aardrijkskunde) (politiek) de raaklijn tussen twee landen
    • Als we geluk hebben kunnen we morgen de Poolse grens bereiken. 
     Het was nog donker toen Jack arriveerde om mij met zijn auto naar de Mexicaanse grens brengen.[2]
  3. (figuurlijk) uiterste mate (bijv. waarin men zich iets kan veroorloven)
    • Met deze acties is wat mij betreft de grens bereikt. 
     Zijn er dan toch grenzen aan het sadisme? Wie het haalt tot de laatste bocht naar links, weet het antwoord. Daar ligt weliswaar weer wat asfalt, maar het is een onvervalste muur: 24 procent. Het is hier dat la belle fille op haar fiets om hulp van boven smeekt.[3]
vervoeging van
grenzen

grens

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grenzen
    • Ik grens. 
  2. gebiedende wijs van grenzen
    • Grens! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grenzen
    • Grens je? 
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]
  1. "grens" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  3.   Weblink bron
    Rob Gollin
    “De helling van de mooie meisjes knijpt de renner de keel dicht” (10 juli 2019), de Volkskrant
  4.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be