Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: rijzen


  • rei·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
reizen
reisde
gereisd
zwak -d volledig

reizen

  1. ergatief gericht onderweg zijn naar een bepaalde bestemming
    • Wij reizen geregeld naar Canada. 
      Maar hoe kwam het eigenlijk, dat je bent weggeloopen van die andere mannen in de bosschen en hierheen bent gereisd?[2]
  2. inergatief ongerichte activiteit van het onderweg zijn
    • Er wordt in dit land veel met de trein gereisd. 
     Het Duitse reizen staat in het teken van de haast en de productiviteit: zo snel mogelijk van Hamburg naar München in een hard geveerde BMW, met een korte stop voor een vette hap in de Raststätte.[3]
  • Op de boer gaan (lopen, reizen)

de reizenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord reis
     Ze was dan ook allang blij dat ze niet met mij mee hoefde op mijn verre reizen, maar was wel vanaf het begin mijn grootste supporter.[4]
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]
  1. reizen op website: Etymologiebank.nl
  2.   Weblink bron
    Dyke, Henry Van
    “De blauwe bloem” (1915), Van Holkema & Warendorf  
  3.   Weblink bron
    Peter Giesen
    “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant
  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  5.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


  • rei·zen
  • Afkomstig van het Middelhoogduitse werkwoord reizen, dat van het Oudhoogduitse werkwoord reizzen komt
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
reizen
reizte
(hat) gereizt
zwak volledig niet-samengesteld

reizen

  1. overgankelijk ergeren, pesten, plagen, prikkelen
  2. overgankelijk, (medisch) irriteren
  3. overgankelijk aanlokken, bekoren, bevallen, lokken