• an·zie·hen
  • Afleiding van het Duitse werkwoord ziehen met het voorvoegsel an-
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
anziehen
zog an
(hat) angezogen
Klasse 2 sterk volledig scheidbaar

anziehen

  1. overgankelijk aandoen, aantrekken, aankleden
    «Sollte sie das ro­sé­far­bene Kleid anziehen oder doch lieber den cremefarbenen Rock mit hellblauer Bluse?»
    Zou ze de rosékleurige jurk aantrekken of toch liever de crèmekleurige rok met de lichtblauwe blouse?
  2. overgankelijk aantrekken, bekoren, trekken (aantrekkelijk overkomen)
    «Die Ausstellung zieht zahlreiche Besucher an
    De beurs trekt veel bezoekers.
  3. overgankelijk aandraaien (bijv. een schroef of de handrem)
  4. overgankelijk aantrekken
    «Ein Magnet zieht Eisen an
    Een magneet trekt ijzer aan.
  5. overgankelijk optrekken (bijv. de knieën)
  6. overgankelijk, (economie) stijgen (van prijzen)
  7. wederkerend zich aantrekken
  • [2]: sich von jemandem angezogen fühlen
zich tot iemand aangetrokken voelen