Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • volk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘stam, bewoners van een staat’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord volk volken
volkeren
verkleinwoord volkje volkjes

Zelfstandig naamwoord

volk o

  1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
  2. de inwoners van een land
    • Het Franse volk steunt zijn president. 
     Wandelend door de vele kleine bergdorpjes langs de trail heb ik het Amerikaanse volk leren kennen als vriendelijk, respectvol en opvallend gastvrij.[3]
  3. de lagere klassen
     `Zwarte Piet' of 'Pietje Pik', zo noemde het volk in de middeleeuwen de duivel.[4]
  4. een aantal mensen
  5. een groep insecten die in hetzelfde nest wonen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Hoe later op de avond hoe schoner volk
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "volk" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. volk op website: Etymologiebank.nl
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  4. Marijke van Raephorst   “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat  , p. 14
  5.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

volk

  1. volk


Sloveens

Zelfstandig naamwoord

volk m

  1. wolf