Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
gaan gaand
gang gegaan
Uitspraak
Woordafbreking
  • gaan
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zich voortbewegen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: gaen, gaan, ghan, ganghen
Oudnederlands: gān
Germaans: *gānan
Indo-Europees: *ǵʰēh₁-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: go (Angelsaksisch: gān), Duits: gehen, (Oudhoogduits: gān, gēn), Fries: gean (Oudfries: gān, gunga)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: gå (Oudnoords: *gá)
Oost: Gotisch: gaggan
  • Verwant in andere Indo-Europese talen:
Grieks: κίω, κιγχανω, κιχανω
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gaan
ging
gegaan
klasse 7 volledig

Werkwoord

gaan

  1. ergatief zich in een bepaalde richting bewegen, meestal van de spreker af
    • Hij ging naar Amerika. 
     Ze waren naar buiten gegaan om te plassen maar werden daar plotseling omringd door een blauwe lichtbol.[2]
  2. mogelijk zijn
    • Dat gaat niet. 
  3. hulpwerkwoord vormt een onmiddellijke toekomende tijd
    • En nu ga ik slapen. 
     Wat had ik nu spijt van het plan om de zonsondergang en zonsopkomst vanaf de top te willen gaan bekijken.[2]
     Zo stil mogelijk ging ik rechtop in mijn slaapzak zitten en probeerde mijn overvolle blaas geruisloos te legen.[2]
Afgeleide begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. "gaan" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. 2,0 2,1 2,2 Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  3. Tim Voors: Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada, 2018
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

Uitspraak
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
gaan
gegaan
volledig

Werkwoord

gaan

  1. gaan
    «Ek gaan môre rugby speel.»
    Ik ga morgen rugby spelen.