• ver·mo·gen
enkelvoud meervoud
naamwoord vermogen vermogens
verkleinwoord vermogentje vermogentjes

het vermogeno

  1. (financieel) een kapitaal aan geld → bezit, bezitting, eigendom
    • De buurman heeft een flink vermogen. 
    • Slechts 4 cent van elke dollar aan belastinginkomsten die in 2015 wereldwijd werd geïnd, was afkomstig uit belastingen op vermogen, zoals erfenissen of eigendom. Deze soorten belastingen zijn in veel rijke landen de laatste decennia verlaagd of verdwenen en bestaan nauwelijks in ontwikkelingslanden. [4] 
     Zijn broer Oscar had op miraculeuze wijze, zo het al geen goddelijke voorzienigheid was, een aanzienlijk vermogen in Afrika verworven.[5]
     Bijna 20 miljoen euro wilde ze lenen. Ze kon een (vervalste) kredietbrief van de UBS Bank in Zwitserland overleggen en toonde rekeningoverzichten waarop haar ‘vermogen’ stond, staat in de aanklacht te lezen schrijft persbureau AP.[6]
  2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen, capaciteit
    • Hij heeft niet het vermogen om leiding te geven aan die groep. 
  3. (natuurkunde) de hoeveelheid verrichte arbeid per tijdseenheid, vaak uitgedrukt in de SI-eenheid watt
    • Een goed getrainde fietser kan continu een vermogen van 130 watt leveren.[7] 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vermogen
vermocht
vermocht
onregelmatig volledig

vermogen

  1. modaal werkwoord(formeel) in staat zijn, kunnen
    • Wij vermogen niet in te zien wat op dit moment het spoedeisende karakter is.  [8]
    • (...) sulcks nochtans volcomelijck heeft vermogen te doen ende gedaen, (...) [9]
  2. absoluut in staat zijn iets te bewerkstelligen
    • Tegen dat virus vermogen we nu niet veel, maar met die nieuwe vaccinatieresultaten komt daar mogelijk verandering in. 
  • De onbepaalde wijs "vermogen" neemt vaak de plaats in van het voltooid deelwoord, maar anders dan de Algemene Nederlandse Spraakkunst suggereert kunnen constructies met het voltooid deelwoord in verzorgd taalgebruik voorkomen, zie een voorbeeld bij vermocht. [10]
  • Er is geen onpersoonlijke lijdende vorm.
98 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[11]
  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.