capaciteit

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ca·pa·ci·teit
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bekwaamheid’ voor het eerst aangetroffen in 1728 [1]
  • afgeleid van het Franse capacité (met het achtervoegsel -iteit) [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord capaciteit capaciteiten
verkleinwoord capaciteitje capaciteitjes

Zelfstandig naamwoord

capaciteit v

  1. vermogen, kracht om een bepaalde prestatie te leveren
    • De plaatselijke ziekenhuis heeft onvoldoende capaciteit om een ramp van deze omvang te kunnen verwerken. 
    • Zij laten zien dat schulden het denken gaan beheersen - ze leggen beslag op je mentale capaciteit.[4] 
  2. bekwaamheid, geschiktheid, bevattingsvermogen
    • Hij heeft niet de capaciteit om naar de universiteit te gaan. 
     'Je onderschat je eigen capaciteiten, de specifieke kwaliteiten van het individu.[5]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen