formeel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • for·meel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘naar de vorm’ voor het eerst aangetroffen in 1614 [1]
  • afgeleid van het Latijnse fōrma (vorm) met het achtervoegsel -eel [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord formeel formelen
verkleinwoord formeeltje formeeltjes

Zelfstandig naamwoord

formeel o [3]

  1. houten vorm tot steun van metselwerken tijdens de bouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen formeel formeler formeelst
verbogen formele formelere formeelste
partitief formeels formelers -


Bijvoeglijk naamwoord

formeel [4]

  1. met inachtneming van strikte omgangsvormen
  2. de vorm betreffend, naar de vorm
     Hoelang de onderhandelingen precies zullen duren is onduidelijk, maar de formele toetreding van Finland zal binnen een paar maanden tot een jaar geregeld moeten zijn. De parlementen van alle dertig NAVO-lidstaten moeten ermee instemmen. Secretaris-generaal Stoltenberg van de NAVO heeft gezegd dat de Finnen "een warm welkom" zullen krijgen. "Het toetredingsproces zal soepel en snel gaan."[5]
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Bijwoord

formeel [6]

  1. in alle vorm
  2. voor de vorm; voorzover de vorm betreft
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen