afgemeten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ge·me·ten
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van: afmeten…
verbogen vorm: afgemetene

afgemeten

  1. voltooid deelwoord van afmeten
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen afgemeten afgemetener afgemetenst
verbogen afgemetenste
partitief afgemetens afgemeteners -

Bijvoeglijk naamwoord

afgemeten

  1. niet meer dan het hoogst noodzakelijke
    • De eerste die ik sinds lange tijd sprak, afgezien van de weinige afgemeten woorden die ik aan het begin en het einde van de rit had gewisseld met mijn norse taxichauffeur, was een magere, donkere jongen in het nostalgische rode uniform van een piccolo. [1] 


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard "Grand Hotel Europa" 2018 ISBN 978-90-295-2622-7 pagina 11
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be