afmeten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·me·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afmeten
mat af
afgemeten
klasse 5 volledig

Werkwoord

afmeten

  1. overgankelijk door meting een bepaalde hoeveelheid van een voorraad afzonderen
    • Ik heb daarvan 100 milligram afgemeten en in water opgelost. 
  2. overgankelijk ~ aan als maatstaf voor iets gebruiken
    • Dit valt af te meten aan de hoogte van de golfslag die erdoor veroorzaakt wordt. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be