• stroom
  • In de betekenis van ‘bewegende massa vloeistof’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord stroom stromen
verkleinwoord stroompje stroompjes

de stroomm

  1. (aardrijkskunde) rivier, beek
    • Bij donker woud en brede stromen. 
  2. (elektrotechniek) elektrische stroom, het transport van elektrische lading door de beweging van elektronen door geleiders en halfgeleiders onder invloed van een potentiaalverschil
    • We zitten zonder stroom, dat wordt geen accu opladen vandaag. 
  3. in bepaalde richting bewegende massa, zoals een groep mensen, dieren, andere objecten
    • Tegen de stroom in lopen. 
  • Tegen de stroom oproeien
tegen de meerderheid ingaan
vervoeging van
stromen

stroom

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stromen
    • Ik stroom. 
  2. gebiedende wijs van stromen
    • Stroom! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stromen
    • Stroom je? 
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]