Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vat
Woordherkomst en -opbouw
[A] enkelvoud meervoud
naamwoord vat vaten
verkleinwoord vaatje vaatjes

Zelfstandig naamwoord

[A] vat o

  1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
  2. (eenheid) standaard inhoudsmaat voor ruwe aardolie of bier: 1 vat aardolie = 159 liter
  3. (anatomie) ader
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
[B] enkelvoud meervoud
naamwoord vat -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

[B] vat m

  1. aangrijpingspunt waaraan een voorwerp kan worden vastgepakt
Synoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • geen vat krijgen op
    niet kunnen beïnvloeden

Werkwoord

vervoeging van
vatten

[B] vat

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van vatten
  2. gebiedende wijs van vatten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen


Mota

Telwoord (mtt)
1 11 10 100 103
2 12 20 200
3 13 30
4 14 40
5 15 50
6 16 60
7 17 70
8 18 80
9 19 90

Hoofdtelwoord

vat

  1. vier



Volapük

Zelfstandig naamwoord

vat

  1. water