handvat

Een emmer met een groen handvat.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·vat
Woordherkomst en -opbouw
[1]* enkelvoud meervoud
naamwoord handvat handvatten
verkleinwoord handvatje handvatjes
[2] enkelvoud meervoud
naamwoord handvat handvaten
verkleinwoord handvaatje handvaatjes

Zelfstandig naamwoord

handvat o

  1. handgreep, het deel van een voorwerp waarmee men het kan verplaatsen, optillen of anderszins hanteren
    • Het handvat was afgebroken. 
  2. (verouderd) lampetkan, kan met water om de handen te wassen
    • ... (nadat de dienaars 't handwater uit een kostelijk handvat gereikt hadden) ... [3]
     Nu was het mijn beurt. Ik wierp een vluchtige blik de afgrond in, prikte het handvat van mijn ijsbijl diep de sneeuw in en plaatste mijn voet voorzichtig in het eerste voetspoor.[4]
Verwante begrippen
Opmerkingen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen