Nederlands

 
De bovenkant van een zwaard met bovenaan de ronde knop, daaronder het gevest, daaronder de horizontale stootplaat, en daaronder de bovenkant van de kling
Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·vest
enkelvoud meervoud
naamwoord gevest gevesten
verkleinwoord gevestje gevestjes

Zelfstandig naamwoord

gevest o

  1. handvat van een zwaard of een ander steekwapen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘handvat van blank wapen’ voor het eerst aangetroffen in 1588 [1]
  • vervoeging van vesten: de stam met omvoegsel ge- -t, zonder -t omdat de stam al op -t eindigt [2]

Werkwoord

vervoeging van: vesten…
verbogen vorm: geveste

gevest

  1. voltooid deelwoord van vesten

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen