vaatziekte

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vaat·ziek·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vaatziekte vaatziekten
vaatziektes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vaatziekte v

  1. (medisch) aandoening van de bloedvaten, vaak in combinatie met hartziekte (hart- en vaatziekten)
     Ik keek ervan op dat volgens dit onderzoek mensen die elke dag minstens 30 minuten lopen een beduidend lagere kans op hart- en vaatziekte, darmkanker, borstkanker en dementie hebben.[1]
Verwante begrippen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be