B. Een schilderij van een jongen.
  • jon·gen

de [A] jongenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord jonge
  2. meervoud van het zelfstandig naamwoord jong
    • De kat heeft jongen geworpen. 
  • [2] zoals de ouden zongen, piepen de jongen
    kinderen doen vaak net als hun ouders
enkelvoud meervoud
naamwoord jongen jongens
verkleinwoord jongetje jongetjes

[B] de jongenm

  1. onvolwassen man
    • Een jongen op een bromfiets reed door de straat. 
     Op 10 juli 2019 bereikt la belle fille op haar racefiets zwoegend de top. Ze zou net als haar voorgangers uit de 17de eeuw ook wel een frisse duik willen nemen, maar voorlopig volstaan gulzige slokken uit haar bidon. Een bijrolletje in de historie van La Planche is genoeg. Morgen mogen de mooie jongens.[6]
     Hij ging op het geluid af en zag, op een bergweitje tussen de rotsen, een kleine donkere jongen zijn geiten hoeden.[7]
  • Jongens van Jan de Witt
Dappere jongens zijn
  • Een jongen als een wolk
Stoett-2603 [8]
  • Een bengel van een jongen
Stoett-201 [9]
  • Een beuker van een jongen
Stoett-220 [10]
  • Een strop van een jongen
Stoett-2209 [11]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jongen
jongde
gejongd
zwak -d volledig

[D] jongen

  1. inergatief (van dieren) nageslacht ter wereld brengen
    • Onze teef heeft zojuist gejongd. 
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[12]


enkelvoud meervoud
naamwoord jongen jongens
verkleinwoord

jongen

  1. jongen


enkelvoud meervoud
naamwoord jongen jongens
verkleinwoord

jongen

  1. jongen