• jong
  • In de betekenis van ‘jeugdig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen jong jonger jongst
verbogen jonge jongere jongste
partitief jongs jongers -

jong

  1. van geringe leeftijd
     In onze tijd bestaat er een toenemende belangstelling, zowel voor de folklore als voor de achtergrond en de inhoud van de feesten. Temeer als die beleefd kunnen worden door het hele gezin en de hele groep, jong of oud.[2]
     Ik verbaasde me erover hoe een aantal jonge hikers buiten met de naderende storm omgingen. Ze maakten uitgebreid filmpjes en juichten bij elke donderslag terwijl ik juist dieper in mijn slaapzak kroop. Ik voelde me klein en uiterst kwetsbaar.[3]
  2. (figuurlijk) recent, van nog maar kort geleden
    • We houden de jongste ontwikkelingen in de gaten. 
  • Van jongs af aan
Vanaf iemands jongste jaren, vanaf zeer jeugdige leeftijd
  • Jong geleerd is oud gedaan
Als je iets al op jonge leeftijd leert, heb je daar op latere leeftijd nog altijd plezier van, of je kunt het dan nog beter
  • Jong van hart zijn
Nog altijd actief, blijmoedig enz. zijn (hoewel men al op een gevorderde kalenderleeftijd is)
enkelvoud meervoud
naamwoord jong jongen
verkleinwoord - -

het jongo

  1. (dierkunde) een directe nakomeling van een dier (m.n. van een zoogdier of reptiel)
    • Een welp is het jong van een leeuw. 
    • De poes heeft jongen gekregen. 
  2. (informeel) min of meer denigrerende dan wel beledigende benaming voor iemand die minderjarig en van het mannelijk geslacht is (ofwel voor een jongen)
    • Ga weg, vervelend jong! 
  • Aap wat heb je mooie jongen
Iemand probeert door lief en aardig te doen iets gedaan te krijgen
  • Een haastige hond werpt blinde jongen
Beter langzaam iets goed doen, dan haastig iets slechts doen.
  • Zoals de ouden zongen, piepen de jongen
Kinderen doen en denken vaak hetzelfde als hun ouders
vervoeging van
jongen

jong

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jongen
    • Ik jong. 
  2. gebiedende wijs van jongen
    • Jong! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jongen
    • Jong je? 
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]
  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.
  1. "jong" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), p. 7
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  4.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be