zoogdier

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zoog·dier
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘dier dat zijn jongen met melk voedt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1811 [1]
  • samenstelling van  zoog ww  en  dier  [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord zoogdier zoogdieren
verkleinwoord zoogdiertje zoogdiertjes

Zelfstandig naamwoord

zoogdier o [3]

  1. (dierkunde) een warmbloedig, gewerveld en viervoetig dier waarvan de jongen gezoogd worden, behorend tot de biologische klasse Mammalia  
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen