Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grond
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bodem’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord grond gronden
verkleinwoord grondje grondjes

Zelfstandig naamwoord

grond m

  1. een bepaald stuk van het aardoppervlak
    • De projectontwikkelaar heeft die grond gekocht om huizen op te bouwen. 
     De enige vlakke grond was de trail zelf dus ik hoopte dat er geen vroege hiker over me heen zou vallen in de ochtend. Maar dat gebeurde wel.[2]
  2. de stof van het aardoppervlak waarop planten en bomen groeien
    • De jongen zat de hele dag met zijn handen in de grond. 
  3. het aardoppervlak in algemene zin
    • Na een lange vliegreis stonden we eindelijk weer op de grond. 
  4. zeebodem.
    • Het schip was aan de grond gelopen. 
  5. de reden of basis van gedrag, houding, standpunt of motief
    • Op welke grond heb je dat gedaan? 
  6. het diepste wezen van iets of iemand
    • In de grond is hij niet slecht. 
    • Ik geloof in de grond van mijn hart dat er ergens iets is. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: met beide benen op de grond staan
realistisch zijn
  • [2]: als paddenstoelen uit de grond schieten
overal snel uit het niets tevoorschijn komen
  • [3]: vaste grond onder de voeten hebben
weer veilig aan land zijn
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gronden

grond

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gronden
    • Ik grond. 
  2. gebiedende wijs van gronden
    • Grond! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gronden
    • Grond je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

grond

  1. grond


Veluws

Zelfstandig naamwoord

grond

  1. grond