grondijs


Nederlands

 
grondijs
Uitspraak
Woordafbreking
  • grond·ijs
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord grondijs
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

grondijs o [1]

  1. een verzamelnaam voor een verschijnsel waarbij schijnbaar ijs vanaf de bodem in relatief ondiep water omhoog komt drijven
    • Gistermiddag was Hylkema opnieuw op het tien centimeter dikke ijs van het Slotermeer. De baan tussen Sloten en Balk is inmiddels met machines sneeuwvrij geveegd. Maar de kwaliteit van het ijs is „bar slecht”, constateerde hij. „De oostenwind heeft veel schotsen en grondijs richting Balk gespoeld. Er liggen scherven ijs. Als we weer gaan vegen, hopen we de ijsvloer wat te egaliseren.” De kou moet de rest doen. [2] 
    • De minikristalletjes, praktisch onzichtbaar, zetten zich merkwaardig makkelijk vast op de bodem van beken en stromen en vormen daar het geheimzinnige grondijs (anchor ice) dat inmiddels al in situ is gefotografeerd en gefilmd en zelfs in laboratoriumopstellingen is opgewekt. [3] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen