uitgangspunt

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·gangs·punt
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitgangspunt uitgangspunten
verkleinwoord uitgangspuntje uitgangspuntjes

Zelfstandig naamwoord

uitgangspunt o

  1. de aannames en veronderstellingen waar men van uitgaat
    • De dualiteit van golf en deeltje is het uitgangspunt van de kwantummechanica. 
     Waar het in het advies aan ontbreekt, is een inhoudelijke beschouwing ten aanzien van ouderen, hun zorgvraag alsmede de zorgverlening. ‘Betaalbaarheid’ en ‘organiseerbaarheid’ zijn de uitgangspunten.[1]
Synoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Noud Engelen “Kwetsbare ouderen hebben beschermde woonomgeving nodig” (14 februari 2020), Trouw
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be