naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
komenkomend
komstgekomen
  • ko·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
komen
/'komə(n)/
kwam
/kʋɑm/
gekomen
/ɣə'komə(n)/
klasse 4 volledig

komen

  1. ergatief bewegen van verder weg naar dichterbij
     Ik voelde me veel minder veilig in de bossen dan in de uitgestrekte, open woestijn. Dat kwam waarschijnlijk omdat je in de woestijn altijd alles om je heen kon zien, maar ook doordat ik uit het vlakke Nederland kom, waar ik gewend ben aan weidse landschappen met vergezichten en hoge luchten.[3]
     Toen ik de gigantische muur inktzwarte wolken op me af zag komen barstte ik in tranen uit.[3]
     Het Burning Man-festival in Nevada is de ultieme expressie hiervan en het komt aardig in de buurt van de echte hippielevensstijl van destijds.[3]
  2. ergatief, (seksualiteit) een orgasme hebben, klaarkomen
  3. koppelwerkwoord worden, bedijgen
  • Een overblijfsel uit het Kustwestgermaans is het koppelwerkwoord komen (bet. 3) in plaats van het Standaardnederlandse worden. In het West-Vlaams zegt men dus bijv. ik kom ziek in plaats van ik word ziek.
  • Het werkwoord kan worden gepreciseerd door toevoeging van een voltooid deelwoord of een infinitief[4]
    • Hij kwam afzakken, hij kwam toegesneld 
  • Het deelwoord of de infinitief kan "aan-" als prefix krijgen
    • Hij kwam aangekeft, hij kwam aanmompelen. 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]