Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • loop
enkelvoud meervoud
naamwoord loop lopen
verkleinwoord loopje loopjes

Zelfstandig naamwoord

loop m

  1. voorste deel van een wapen
  2. route van een rivier
  3. voortgang.
    • In de loop van de avond. 
    • In de loop van het gesprek. 
     Kritisch te kijken naar wie je bent geworden en te reflecteren op de minder fraaie eigenschappen die er in de loop van de jaren zijn ingeslopen.[1]
  4. het lopen of hardlopen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
lopen

loop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lopen
    • Ik loop. 
  2. gebiedende wijs van lopen
    • Loop! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lopen
    • Loop je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be