Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wa·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘strijdwerktuig’ voor het eerst aangetroffen in 1237 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord wapen wapens
wapenen
verkleinwoord wapentje wapentjes

Zelfstandig naamwoord

wapen o [3]

  1. een werktuig van geweld
  2. een wapenschild
  3. een onderscheidingsteken van een familie
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Een balk in zijn wapen voeren
  • Groots ( of hoog ) in zijn wapen zijn
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wapenen

wapen

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wapenen
    • Ik wapen. 
  2. gebiedende wijs van wapenen
    • Wapen! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wapenen
    • Wapen je? 
     In Nederland is het warm, maar in Frankrijk en Spanje is het warmer, warmst. De hittegolven slaan toe in Zuid-Europa en toeristen puffen en zweten erop los. Hoe wapen je je onderweg naar je vakantiebestemming tegen de verzengende hitte? En hoe zorg je ervoor dat je koel blijft op de camping? NU.nl vroeg het enkele deskundigen.[4]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie


Verwijzingen