[1] Een broek.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • broek
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘laag drassig land’ voor het eerst aangetroffen in 918 [1]
Indo-Europees: mogelijk bhrāg-[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord broek broeken
verkleinwoord broekje broekjes

Zelfstandig naamwoord

[A] broek v/m

  1. (kleding) een kledingstuk met twee afzonderlijke pijpen voor beide benen
    • Ook bij de elegante, wijde pantalons met korte jasjes die de afgelopen week voortdurend voorbij kwamen op de catwalks in Milaan en Parijs - het moet raar lopen, wil de broek met rechte, wijde pijpen geen succes worden - gingen de gedachten geregeld naar Lanvin. Lanvin is een referentiepunt geworden in de mannenmode.[3] 
     Het water werd langzaam bruin en mijn kleren weer schoon. Ik wrong alles uit en hing mijn druipende shirt, sokken en broek op het balkon.[4]
  2. (valkerij) de vederen die de onderbuik en het halve loopbeen bedekken en in rust vaak de hele poot
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord broek
verkleinwoord

[B] broek o

  1. een moerassig gebied, moeras
    • Vanaf Asten liep vroeger een voetpad door het broek van Asten, Ommel en Vlierden richting Brouwhuis en Helmond.[5] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "broek" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. In dat geval is broek ook verwant met het Latijnse suffrāgō, BROEK (KLEDINGSTUK), etymologiebank.nl
  3. Milou van Rossum NRC 26 januari 2016
  4. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  5. DE VONDER, september 2016
  6.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be