Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • straat
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘weg’ voor het eerst aangetroffen in 1210 [1]
  • [1]: Afkomstig van het Latijnse (via) strata, voltooid deelwoord van sternere
  • Verwant in Germaans:
West: Duits: Straße, Engels: street
  • Andere Indo-Europese talen
Italisch Latijn: stratum, "laag"
enkelvoud meervoud
naamwoord straat straten
verkleinwoord straatje straatjes

Zelfstandig naamwoord

straat v/m

  1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats [2]
    • De meeste straten in woonwijken zijn gevuld met auto's. 
     In South Lake Tahoe dook hij weer eens op en vertelde me dat een onbekende man hem in Bishop op straat had horen gitaarspelen.[3]
  2. smalle doorgang tussen twee zeeën, een zee-engte, zeestraat [4]
  3. reeks machines of arbeidsplaatsen in een productielijn, een productiestraat
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Anagrammen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen