Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zoet
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zoet zoeter zoetst
verbogen zoete zoetere zoetste
partitief zoets zoeters -
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘niet zout, aangenaam’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
Middelnederlands: suote (1220), sute (1240), zoete (1290)
Oudnederlands: suoti, suoze
Germaans: *swōtu-
Indo-Europees: *swéh₂du-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: sweet (Angelsaksisch: swēte), Duits: süß, (Oudhoogduits: suozzi), Fries: swēte (Oudfries: swiet)
Noord: Zweeds: söt, Deens: sødt, Noors: søt, (Oudnoords: sœtr), IJslands: sætur, Faeröers: søtur

Bijvoeglijk naamwoord

zoet

  1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
    • Dat is een nogal zoete drank, zeg! 
     Om de haverklap stopte ik om de zoete bessen te plukken waardoor mijn handen paars kleurden van hun sap.[3]
  2. (van water) geen zout bevattend
     Nochtans waermen yet diepe inde steenrootse houdt, men vindt ter zoet water, recht oft bij mirakelen daer God verleende. Inden midden dweers dore loopt eene adere vander zee, zo wijdt datter rechts een cleen sceepkin duere varen mach, ende niet wijder.[4]
  3. (figuurlijk) aangenaam voor sommige zintuigen
    • Heerlijk, die zoete geur. 
  4. (figuurlijk) (verouderd) (van personen, God) bemind
     O zoete here, dor al dit leet
    Ende dor dijn bloedighe zweet
    Ende dor dine hande ./ ic die anebede,
    Dattu mi absolveers te handen
    [5]
  5. (figuurlijk) (van kinderen) gehoorzaam, braaf
    • Wees even een zoete jongen, ik ben zo terug. 
Uitdrukkingen en gezegden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Antoniemen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord zoet -
verkleinwoord zoetje zoetjes

Zelfstandig naamwoord

zoet o

  1. snoepgoed, voornamelijk zuigbaar

Werkwoord

vervoeging van
zoeten

zoet

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van zoeten
  2. gebiedende wijs van zoeten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "zoet" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. zoet op website: Etymologiebank.nl
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  4.   Weblink bron Ambrosius Zeebout Tvoyage van Mher Joos van Ghistele (1557) in: R.J.G.A.A. Gaspar (ed.) Tvoyage van Mher Joos van Ghistele (1998), Verloren, Hilversum, p. 391 op dbnl.org  
  5.   Weblink bron Anoniem De spieghel der menscheliker behoudenesse (1557) in: Instituut voor Nederlandse Lexicologie (samenstelling en redactie) De spieghel der menscheliker behoudenesse (1949), Sdu Uitgevers/Standaard Uitgeverij, Den Haag/Antwerpen, fol. 110d op dbnl.org  
  6.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be