Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vraag
Woordherkomst en -opbouw
[1-2] enkelvoud meervoud
naamwoord vraag vragen
verkleinwoord vraagje vraagjes
[3] enkelvoud meervoud
naamwoord vraag vragen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

vraag v/m

  1. een verzoek (om inlichting)
    • Hij stelde zijn leerkracht een vraag. 
     `Op die vraag zijn meerdere antwoorden mogelijk; zei ik.[2]
     De vier cursisten waren tussen de 70 en 80 jaar en stelden allerlei vragen aan deze nieuwe vogel aan tafel.[3]
  2. probleem, kwestie, vraagstuk
     Tijdens de eerste paar weken van mijn tocht bleef de vraag mij bezighouden of alleen op pad gaan egoïstisch was? Ja, mijn solotocht was in sommige opzichten zeker egoïstisch.[3]
  3. (economie) een behoefte aan goederen
    • In Nederland is er veel vraag naar brandstof, net als in de rest van de wereld. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
vragen

vraag

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vragen
    • Ik vraag. 
  2. gebiedende wijs van vragen
    • Vraag! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vragen
    • Vraag je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. vraag op website: Etymologiebank.nl
  2. Pfeiffer, Ilja Leonard   “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers  , ISBN 978-90-295-2622-7, p. 12
  3. 3,0 3,1 Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord vraag vrae

Zelfstandig naamwoord

vraag

  1. vraag