vraagkant


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vraag·kant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vraagkant vraagkanten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vraagkant m

  1. (economie) de partij die een product wil kopen
     Wildlife crime kan alleen worden gestopt als de aanbod- en de vraagkant nauw samenwerken. De overheden van Vietnam en Zuid-Afrika voeren al wel overleg, maar dit zal geïntensiveerd moeten worden.[1]
     Maar er is niet alleen meer aanbod, aan de vraagkant is een vergelijkbare stijging te zien.[2]
     Dit jaar moeten er zeker 150 huisjes van de band rollen; dertig daarvan zijn er besteld door de gemeente Weert. Naar verwachting zullen vele gemeentes volgen. ,,Het gebrek zit eerder bij de capaciteit in de fabriek, dan aan de vraagkant," weet Timmermans-Dalhuisen van Heijmans.[3]
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
55 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1.   Weblink bron “Diepterecord gestroopte neushoorns” (03-11-2012), Tubantia
  2.   Weblink bron “Marktplaats.nl mede door crisis in de lift” (17-10-2013), Tubantia
  3.   Weblink bron Matthijs Meeuwsen “De grote potentie van piepkleine huisjes” (12-01-2017), Tubantia