Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • breuk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘het breken, barst’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord breuk breuken
verkleinwoord breukje breukjes

Zelfstandig naamwoord

breuk v/m

  1. (wiskunde) de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
    • Irrationale getallen zoals pi zijn geen breuk en kunnen ook niet als breuk geschreven worden 
  2. een gebroken gedeelte van een object
    • Je kon heel goed de randen van de breuk voelen. 
  3. beëindiging van een relatie
     Misschien nog ingewikkelder was het toen het uitging met mijn oudste dochter en haar vriendje......Zij gaf later aan het lastig te hebben gevonden dat ik toen niet thuis was geweest. Ze had het gevoel dat ik daardoor minder goed kon inschatten welk effect de breuk op haar had gemaakt.[3]
Synoniemen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • zich een breuk lachen
heel erg lachen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord breuk breuke

Zelfstandig naamwoord

breuk

  1. breuk