bloed

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bloed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bloed bloeden
verkleinwoord bloedje bloedjes

Zelfstandig naamwoord

bloed o

  1. lichaamsvocht dat rondstroomt in de slagaderen en aderen ter verspreiding van zuurstof en andere voor de levensprocessen onontbeerlijke stoffen
    • Het bloed vervoert zuurstof van de longen naar de lichaamscellen. 
  2. (enkel als verkleinwoord: bloedjes) in bloedjes van kinderen: kinderen van mijn eigen vlees en bloed
  3. (enkel als datief: bloede) in in koelen bloede, van den bloede en van koninklijken bloede
  4. sukkel
  5. versterkend voorvoegsel heel erg, als eerste deel in samenstellingen dat de heftigheid van het tweede deel benadrukt
    • zij was bloedjong, bloedmooi maar helaas ook bloedarm 
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bloeden

bloed

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bloeden
    • Ik bloed. 
  2. gebiedende wijs van bloeden
    • Bloed! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bloeden
    • Bloed je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen