• zang
  • In de betekenis van ‘het zingen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord zang zangen
verkleinwoord

de zangm

  1. (muziek) de kunst van het zingen
  2. (muziek) zangstuk
  3. (letterkunde) onderdeel van een langer dichtstuk
    • Het heldendicht bestaat uit vijf zangen. 
  • Veel noten op zijn zang hebben
veel eisen en wensen dat aan alle verlangens wordt voldaan
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]


zang m

  1. hol, grot