zangstuk

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zang·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zangstuk zangstukken
verkleinwoord zangstukje zangstukjes

Zelfstandig naamwoord

zangstuk o

  1. (muziek) een lied.
    • De artiest voerde het zangstuk op. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be