Natuur [1]
  • na·tuur
  • via Middelnederlands nature van Frans nature of direct van Latijn natura, het deelwoord van de toekomende tijd van nasci, hetgeen zoveel betekent als "dat wat geboren zal worden", "tot leven zal komen"
    • [2] in de betekenis van ‘het (schijnbaar) niet door de mens gewijzigde landschap om ons heen' aangetroffen vanaf 1697 [1]
    • [4] in de betekenis van 'aangeboren neiging' aangetroffen vanaf 1201, later ook 'natuurlijke wetmatigheid, natuurlijke loop der dingen, schepping, scheppende kracht' [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord natuur -
verkleinwoord - -
enkelvoud meervoud
naamwoord natuur naturen
verkleinwoord

de natuurv

  1. (filosofie) oorspronkelijke, onaangeroerde verschijningsvorm van alles wat zich op, in en rond de Aarde bevindt; min of meer synoniem aan "schepping" of "wildernis", als tegenstelling tot cultuur, technologie of beschaving
  2. (maatschappij) oorspronkelijke wildernis en de nabootsing daarvan, omringend landschap dat wordt beleefd alsof het nooit door de mens is gewijzigd
     Toch voelde het voor mij niet als een eeuwigheid, wat zijn immers zes maanden op een mensenleven? Na twintig jaar hard werken in glimmende kantoorgebouwen had ik behoefte aan meer natuur en avontuur.[2]
  3. (wetenschap) alles wat niet door bewust menselijk handelen is ontstaan, zoals het bestudeerd en beschreven wordt door wetenschappen als zoals de natuurkunde en de biologie, te vergelijken met het begrip heelal, universum of kosmos, meestal beschouwd als gezien vanuit het standpunt van de mens op Aarde
  4. (psychologie) de aard van iets of iemand; diens karakter
    • Dat is nu eenmaal zijn natuur. 
  5. (verouderd) (seksualiteit) teelvocht; mannelijk zaad en geslachtsorgaan
  • De natuur is sterker dan de leer
Wat aangeleerd is wordt gauw vergeten
  • De gewoonte is ( of wordt) een tweede natuur
Stoett-689 [3]
  • De tol aan de natuur betalen
dood gaan
vervoeging van
naturen

natuur

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van naturen
    • ... dat ik natuur. 
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]